We laten die Bruno Marciano eerst zelf maar eens aan het woord:
'Mijn broer en ik groeiden op in het restaurant van onze ouders. Niet zo gek dat wij daarna ook in de horeca belandden. Mijn broer ging aan de slag als kok en ik werd sommelier. Uiteindelijk werd ik zelfs uitgeroepen tot de beste sommelier van Spanje en de op één na beste ter wereld. Toen mijn broer vroeg om samen wijn te gaan maken hoefde ik daar geen seconde over na te denken. Ik wist gelijk: dit project moeten we doen.'
Het bracht los hermanos naar Utiel-Requena, in de buurt van Valencia waar al in de 5e eeuw na Christus de Feniciërs de eerste wijnstokken aanplanten. Toch duurde het tot 1957 voor het een 'officieel' Spaans wijngebied werd. En daar vonden broer en Bruno bobal, oude stokken, in koele wijngaarden, op 850-950 meter hoogte.
Nu werd voornoemde bobal overigens lang ingezet voor het maken van rood en rosé voor literlebberaars voor wie kwaliteit geen rol speelde. Maar hoe anders is dat het afgelopen decennium geworden. Ambitieuze wijnmakers pikten 'm op, herkenden zijn kwaliteiten wanneer de druif met liefde en het juiste terroir werd bejegend.
En kijk aan, dit is een van de beste die we beoordeelden: een verrukkelijke tinto die zich beweegt tussen nebbiolo en pinot noir.
Rijpe bramen, zwarte kersen met hun zoeten en hun zuren, peperigheid, fijne tijm, aardsigheid, oude leren bank, het mahonie van een antiek cilinderbureau, ontdekkingsreis richting rabo de toro, de Spaanse sudder met nota bene ossenhaas.
Kracht en zacht